FISCALITEITEN
J. H. Hageman
MAB · 1932
doi:10.5117/mab.9.21038 (opens in a new tab)
We email you when a new notice or a question about this paper appears.
Abstract
H l "tion, omng to their inclusion of expenditurcs whicli are "properly chargeable to idleness."Hieruit zou volgen, dat Charter //arrison geneigd is om zon der verdere regels te geven, zonder meer bij flauwe markten de constante kosten te abandonneeren zonder dat de hierboven genoemde onderscheiding hem duidelijk voor den geest staat.Hiertegen voere men nu niet aan, dat de depressieperiode, waarin het boek geschreven is, het herstel van het prijsevenwicht op een lager niveau noodzakelijk maakt en dat de ad viezen van Charter Harrison dit kunnen helpen bevorderen.Een drievoudige tegenspraak zou dit argument kunnen weer leggen.In de eerste plaats bedoelt de auteur geen incidenteel crisis-advies te geven, maar is het duidelijk, dat hij theorieën wil geven van blijvende waarde.In de tweede plaats is het geenszins bekend, welk deel der constante kosten zou moeten worden geabandonneerd om een dragelijke bezetting te ver krijgen en wordt dus hier aan een eisch van "quantificeeren", dio de "scientific management" zoo uitdrukkelijk stelt, in geen enkel opzicht voldaan.En in de derde plaats zit in het geheele gedachten-complex een naar mijn meening ondragelijke in consequentie.De standaardkosten hebben nl.zonder eenigen twijfel de neiging, de prijsvorming te doen verstarren.Het anticipeeren op zich voltrekkende wijzigingen in de oeconomisehe structuur, zooals dit b.v.mogelijk gemaakt wordt door gebruik van den oeconomischen kostprijs op basis van de ver vangingswaarde van Limperg, kan er wel degelijk .doorworden tegengehouden.Als nu dit bezwaar merkbaar wordt, nemen deze Amerikanen hun toevlucht tot één van de door hen zoo verfoeide "haphazard and rule-of-thumb methods" en abondonneeren een deel hunner constante kosten zonder dat het be drag, dat wordt geabandonneerd, door een behoorlijke analyse wetenschappelijk wordt bepaald.Toegegeven moet worden, dat de Amerikaansche monografie over dit onderwerp "The Eco nomies of Overhead Cosis" van J. M. Clark -ofschoon ook deze niet to the point komt-het vraagstuk verder analyseert dan de auteurs der standaardkosten dit doen.Om niet al te uitgebreid te worden, wil ik verder volstaan met de opmerking, dat het desbetreffende voorbeeld, uitge werkt in "Standard Coat ft", pag.265 e.v., eigenlijk in het ge heel niet op de daaraan voorafgaande bladzijden betrekking heeft, maar het door Charter Harrison niet afzonderlijk onder scheiden geval van "building ahead of demand" behandelt.(Wordt vervolgd) S. KLEEREKOOPER FISCALITEITEN Periodieke Uitkeeringen niet afhankelijk van het leven Een reeks Arresten van den Iloogen Raad verdient naar het mij wil voorkomen wel eene bespreking.Er zijn van die gevallen waarin men, als dienaar van den Fiscus natuurlijk, voelt dat er muziek in zit, zonder dat men kan zeggen op grond van welk artikel men tot belasten zou wil len overgaan.Ik zal maar direct beginnen de meerderheid der minder fiscaal aangelegdcn toe te geven dat het omgekeerde ook voorkomt.Hierbij heb ik thans op het oog de bedongen uit keeringen wegens royalties, auteursrechten, omzetpremies, uit keeringen wegens ideaalpolisscn enz.Verschillende malen is mij door conscientieuse verzekerings agenten of belanghebbenden gevraagd of de laatste belastbaar waren.Met de gebruikelijke voorzichtigheid heb ik dan te ken nen gegeven dat elk geval op zich zelf moest worden bekeken, dat ik in het algemeen gesproken niet zou weten hoe hef belasten ervan te motiveeren, doch tevens de opmerking gemaakt dat dergelijke uitkeeringen zeker kenmerken vertoon den, de periodiciteit bijv., die in de richting van het begrip in komen wezen.Wat de royalties betreft is jaren geleden gepoogd een aanslag deswege op te leggen, welke poging is mislukt, doordat zoowel de Raad van Beroep, als de Hooge Raad den aanslag vernietigden.In B. 2714 is sprake van iemand, die eene concessie tot ontgin ning eencr bruinkool groeve had overgedragen aan eene N.V. tegen een bedrag ineens en eene royalty van ƒ 0.50 per ton.Hetgeen hij deswege in 1917 ontvangen had werd begroot op ƒ 19.000.-,welk bedrag door den Inspecteur bij zijn inkomen werd geteld.De Raad van Beroep gaf hem echter gelijk en ver minderde den aanslag.Het Departement betoogde in cassatie dat dit voordeel moest Worden aangemerkt als voordeel uit die ontginning en derhalve als opbrengst van onderneming of ar beid.De Hooge Raad was het hiermede niet eens en overwoog dat, daar de betrokkene het voordeel verkreeg, onafhankelijk van de resultaten der ontginning, als contra-prcstatie voor hetgeen hij aan de Maatschappij heeft geleverd in den vorm eener concessie, de Raad van Beroep terecht besliste dat de uitkeeringen, die hij genoot voor de overdracht der concessie, evenals de concessie zelf, tot het vermogen van belanghebbende behoorden en niet tot diens inkomen.Eerst jaren later komt eene dergelijke kwestie weer ter sprake en wel in het arrest van den Iloogen Raad van 9 Maart 1927 in B. 4033.Hierin ging het om een reorganisatie van een kolen syndicaat, waarbij de vroegere deelnemers, die niet meer in brandstoffen handelden, voor den verderen duur van het syn dicaat werden uitgeschakeld.Als vergoeding zouden zij nog ge durende 5 jaar een zeker percentage van de in die jaren gemaak te netto-winst genieten.Dit bedroeg voor den persoon in kwes tie in het betrokken jaar ƒ 11.000.-.De inspecteur had den be trokkene hiervoor aangeslagen krachtens art.7 Wet I.B., daar hij dit beschouwde als opbrengst van onderneming of arbeid.De Raad van Beroep overwoog dat belanghebbende krachtens de overeenkomst van 1922 een vorderingsrecht ontleende op eene uitkeering gedurende 5 jaar, welk recht een bron van in komen was, doch niet als onderneming of arbeid, maar als roerend kapitaal.Van deze uitspraak ging men in cassatie, betoogende dat onder inkomen wordt verstaan opbrengst van vermogen en onder op brengst de vruchten van het kapitaal, waarbij dit laatste intact blijft, terwijl in casu het kapitaal te niet gaat en er dus geen sprake kan zijn van inkomen.De Hooge Raad aanvaardde dit betoog echter niet en over woog dat het bedoelde recht op een winstaandeel gedurende 5 jaar, al had het niet hetzelfde ka rak t ei' als het recht op rente van geleende gelden of op aandeelen te ontvangen dividend, niettemin is te rangschikken onder inkomen uit roerend ver mogen als bedoeld in art.6 W.I.B. Een analoog geval als het hierboven besproken in B. 2714 werd behandeld in het Arrest van den Hoogen Raad van 9 Januari 1929 in B. 4461, waarin tevens de geheele materie breedvoerig werd gemotiveerd.Iemand was in het bezit van eene concessie in Nederlandsch-Tndië tot opsporing en exploitatie van petroleum, welke rechten door hem aan derden werden overgedragen tegen betaling van £ 2200.contant en eene zeker jaarlijks te betalen royalty voor elke ton gewonnen ruwe petroleum.Hij schonk dit recht aan zijne kinderen, waarvan één voor het deswege genoten bedrag werd aangeslagen, welke aanslag door den Raad van Beroep werd gehandhaafd.In zijn uitspraak overweegt de Raad, dat de stelling van appelant dat het hier betrof deelen van den koopsom niet op gaat, daar de onontgonnen delfstoffen geen economische waarde hebben, doch die eerst verkrijgen, als ze aan de oppervlakte zijn
Abstract licence: CC BY-NC-ND
Reads
Read by people on this page
None yet.
Checked or read by AI through naulon
None yet.
A person counts once a day per paper. We keep no cookie and no address: a reader is a hash that changes every day. Any month under five reads shows no number.
Are you an author?
Is this your paper?
Claim it to add your note and be paid when agents cite it. Free.